De afgelopen jaren werkte ik véél. Vaak meer dan fulltime, meerdere klussen naast elkaar, zonder pauzes tussen aflopende en volgende klussen; ik ging maar door. Ik werkte vaak ‘s avonds en in het weekend. Ik wérd mijn werk. Praatte alleen nog maar over werk. Je wordt al gauw het wandelende cliché: als mensen vroegen hoe het met me ging, begon ik over mijn werk te vertellen. Of te klagen. De verhalen werden negatiever naarmate ik vermoeider raakte. Er ging zeker een halfjaar in een soort waas voorbij en aan die tijd heb ik weinig tot geen niet-werkgerelateerde herinneringen. Geen idee wat ik met die tijd heb gedaan. Daar schrok ik best wel van, eerlijk gezegd. Ik begon me af te vragen of dat was waar het leven voor bedoeld was. (spoiler, het antwoord is natuurlijk NEE!)
Alles voor de kunst
Sinds een jaar of vijf werk ik in de cultuursector. Dat is enerzijds fantastisch en anderzijds een enorme uitdaging, voor mij. De werkdruk en de verwachtingen liggen hoog, terwijl de uurtarieven erg laag liggen. Dat betekent dat je, zeker als freelancer, heel veel uren moet maken om een beetje leuk te verdienen. En dat is dan ook wat iedereen doet. Ik ben zéker niet de enige die zes klussen op elkaar stapelt, en dus meer dan fulltime werkt, om een beetje rond te kunnen komen en daarnaast ook nog iets op te bouwen voor jezelf.
In de cultuur werken veel zeer gepassioneerde mensen die hetgeen ze maken (of dat nu theater, muziek, beeldende kunst of iets anders is), oneindig veel beangrijker vinden dan het verdienen van een goed salaris. Dat vind ik bewonderingswaardig, echt waar. Het is voor mij, met mijn energiehuishouding die soms wat te wensen overlaat, alleen niet zo haalbaar gebleken op de langere termijn.
Onlangs had ik een mooi gesprek met een vriendin die al zo’n 20 jaar in de cultuur werkt, maar die momenteel helaas met een burn-out thuis zit. We fantaseerden erop los: hoe heerlijk zou het zijn om weer van kunst& cultuur te gaan geníeten, in plaats van er (zoveel) in te werken? Misschien zouden we wel vrijwilliger worden in een museum? Of in een filmhuis? Of wat als we kaartjes kochten voor een literatuurfestival en erheen gingen als bezoekers, in plaats van er rond te rennen als marketeers? Wil ik misschien weer terug naar een bijbaantje, zoals ik die had in de bibliotheek in 2019? Van die fantasie word ik, na slechts een paar jaar in deze sector te werken, al erg blij. Laat staan hoe dat voor mijn vriendin na 20 jaar moet voelen.
Leven om te werken
Misschien vind ik nog wel het meest storende (of zorgelijke) hoe ik mijn leven heb aangepast om alles om werk te laten draaien. Of beter gezegd: hoe ik alles in het werk stel om te kunnen werken. Vroeg naar bed, want morgen vroeg beginnen. Geen afspraken ‘s avonds want ik moet morgen fit zijn. Je sociale leven en je hobby’s gaan er al gauw onder lijden als je continu bezig bent met ‘maar morgen…’.
Een voorbeeld: laatst gingen we een dagje varen met de familie van mijn verkering. Het was een prachtige zomerdag en ik had eigenlijk gewoon ook nog vakantie, maar ik had me laten verleiden om toch aan te schuiven bij een zeer urgente online meeting van één van mijn klussen. Ik kwam ontzettend gestrest uit deze meeting en zei tegen mijn verkering dat ik maar beter niet mee kon gaan varen, zodat ik meteen maar aan die flinke to do lijst (waarmee ik uit de meeting was gekomen) kon beginnen. Aan haar reactie merkte ik wel dat ze dacht dat ik gek was, maar ze liet de keuze aan mij. Op het allerlaatste moment ben ik tóch in de auto gesprongen en meegegaan en je raadt het al: ik had een waanzinnige dag op het water met veel gezelligheid, ontspanning en lekker eten. Ik heb die dag wel tien keer tegen mezelf gezegd: “dít is waar het om draait in het leven, Merel.”
Deze dag heeft me laten inzien dat ik me wat vaker mag afvragen of ik mijn energie naar de juiste dingen breng. En ook probeer ik mezelf de confronterende vraag te stellen: hoe is mijn werk nou toch zó belangrijk voor me geworden?
Begrenzen, begrenzen, begrenzen
Natuurlijk weet ik dat je dit soort dingen in principe in elke sector kunt meemaken. Ik heb in het onderwijs gewerkt, daar ligt overbelasting ook altijd op de loer. In de zorg, techniek, finance wereld of kinderopvang zal het vast niet anders zijn. Het komt denk ik altijd neer op het kunnen bewaren van een bepaalde, gezonde afstand tot je werk. Daar heb je natuurlijk allerlei trucjes voor, zoals: een werktelefoon nemen, je “eigen” sociale leven verkiezen boven een sociaal leven met je collega’s (en dus niet overal bij willen zijn), niet (meer dan) fulltime werken als dat niet strikt noodzakelijk is, aan je leidinggevende aangeven wanneer je aan het werk bent (en dus bereikbaar) en wanneer niet, enzovoorts. Begrenzen, afbakenen, piket paaltjes uitslaan, dat blijft toch je eigen verantwoordelijkheid.
Zelf probeer ik inmiddels heel actief met een paar dingen te stoppen. Bijvoorbeeld met het opofferen van mijn zondagavond, omdat ik vind dat ik me per se op mijn nieuwe week moet voorbereiden. Elk appje in elke appgroep (ik zit er in zo’n 14 voor mijn werk) altijd en direct beantwoorden en daarmee indirect het signaal afgeven: ik ben altijd beschikbaar. Overal bij willen zijn – en begrijp me goed, niet omdat ik anders fomo krijg, maar omdat ik bang ben wat anderen van me denken als ik dingen bewust skip. Maar ook: niet elke klus die me in de schoot wordt geworpen (zo gaat dat als marketeer in de cultuur namelijk al gauw, want er is zó VEEL werk), vanuit een survival modus aannemen. Daarnaast probeer ik niet meer alleen maar over werk te praten met vrienden en zoek ik bewust andere gespreksonderwerpen op. Dat helpt, heb ik al gemerkt.
Even een beetje minder
De belangrijkste verandering, en de spannendste, is dat ik heb besloten om het de komende tijd wat rustiger aan te doen. Ik heb nee gezegd tegen drie (!) klussen die me aangeboden werden, omdat ik tot het einde van het jaar wil kijken of ik het red met de drie klussen die ik nu heb. Dat betekent automatisch dat ik een stuk zuiniger moet leven en moet budgetteren, want minder werken betekent uiteraard minder verdienen.
Dat wordt nog best wel een uitdaging, maar die ga ik graag aan. Ik voel namelijk nu al wat het me oplevert. Ik voel me vrolijker, lichter en minder gespannen. Ik probeer meer en meer tijd vrij te maken voor mijn sociale leven, voor mijn hobby’s en voor de andere dingen die ik belangrijk en leuk vind in het leven. Ik plan dingen (kleine tripjes, bijvoorbeeld) om naar uit te kijken. Ik schrijf*, lees, tuinier en wandel. Ik drink koffie met vriendinnen en plan weer eens een bezoekje aan de bios. Het hoeft allemaal niet groots, het gaat er eigenlijk vooral om dat ik heel goed blijf voelen: ik leef niet om te werken.
*Over schrijven gesproken: volg je mij al op Substack? Daar verstuur ik sinds kort weer een maandelijkse nieuwsbrief. Als je je aanmeldt, ontvang je de volgende editie automatisch!
